Gepubliceerd op: 10 oktober 2014

Bestuurdersaansprakelijkheid: Hoge Raad houdt vast aan oude uitspraak

Rechtspraak over bestuurdersaansprakelijkheid is sinds de recessie een onderwerp dat veel juristen bezighoudt. Zodra de Hoge Raad zich weer eens buigt over dit onderwerp wordt de uitspraak nauwlettend in het oog gehouden.
Zoals onlangs op 5 september jongstleden (ECLI:NL:HR:2014:2628), toen de Hoge Raad zich boog over de vraag of een bestuurder van een vennootschap, die bemiddelde bij de verkoop van twee vliegtuigen, onrechtmatig had gehandeld door te bewerkstelligen dat de koopsom niet rechtstreeks aan de verkoper werd betaald, maar werd doorgesluisd naar groepsmaatschappijen van de vennootschap.

Een baanbrekend arrest is het goed beschouwd niet geworden. Voor het gros van de gevallen waarin een bestuurder door derden wordt aangesproken, hebben de maatstaven ter bepaling van zijn aansprakelijkheid, zoals de Hoge Raad die al heeft geformuleerd in zijn arrest van 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen) ECLI:NL:HR: 2006:AZ0759) hun gelding behouden.

Het arrest Ontvanger /Roelofsen had persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder wegens onrechtmatig handelen aangenomen in de volgende gevallen (kort samengevat):

  • Als de bestuurder namens de vennootschap verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.
  • Als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat de bestuurder daarvan een persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

De rechter zal vooral onderzoeken of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden.

In een recenter arrest, het zogeheten “Spaanse villa arrest” van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012: BX5881) had de Hoge Raad overwogen dat er ook situaties denkbaar kunnen zijn waarin de bestuurder niet aansprakelijk wordt gehouden voor een tekortkoming of onrechtmatig handelen van een vennootschap (het secundaire daderschap), maar dat er sprake is van een op de bestuurder persoonlijk rustende zorgvuldigheidverplichting jegens derden (het zogenoemde primaire daderschap). In dat geval zou de strengere “Ontvanger/Roelofsen” aansprakelijkheidsnorm van de bestuurder niet aan de orde zijn en de algemene (minder strenge norm) voor het aannemen van aansprakelijkheid gelden.

In het arrest van 5 september jongsleden werd een poging ondernomen de bestuurder aansprakelijk te stellen als primaire dader, met dus een lichtere aansprakelijkheidsnorm. Die poging bleek vruchteloos omdat het hof, als laatste rechter, die over de feiten oordeelt, al had beslist dat de betreffende bestuurder niet in privé had gehandeld, maar in zijn hoedanigheid van bestuurder.

Het arrest Ontvanger/ Roelofsen uit 2006 blijft dus de norm, behalve in die gevallen waarin de bestuurder een “persoonlijk op hem jegens de derde rustende zorgvuldigheidsnorm” schendt (zie Spaanse villa arrest).

Wat nog wel interessant nieuws opleverde, was dat de Hoge Raad in het arrest van 5 september overwoog dat de omstandigheid dat de wederpartij van de bestuurder en de vennootschap wist van de slechte financiële situatie van de vennootschap, de aansprakelijkheid van de bestuurder niet uitsluit.

Noël Ellens
Noël Ellens

Artikelen door Noël Ellens

Stuur ons een bericht

Voor verdere vragen kunt u het formulier hieronder gebruiken. Wij nemen dan zo spoedig mogelijk contact met u op.