Negatieve uitlatingen bij een zakelijk conflict
Een samenwerking die stukloopt, leidt zelden alleen tot een discussie over facturen. Vaak volgt er ook een strijd over het verhaal daarachter: wie heeft er niet geleverd, wie betaalt er niet, en wie mag daar iets over zeggen tegen derden? Ondernemers die zich benadeeld voelen, stappen soms rechtstreeks naar de aandeelhouders, investeerders of klanten van hun ex-partner af. Begrijpelijk, maar juridisch riskant. Een recente uitspraak van het gerechtshof Amsterdam in kort geding (van 15 september 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2550) laat scherp zien waar de grens ligt tussen gerechtvaardigde kritiek en onrechtmatige beschuldiging.
1. De kern: twee grondrechten die elkaar in de weg zitten
Bij een uitingsverbod draait alles om een afweging tussen twee – in beginsel – gelijkwaardige belangen. Aan de ene kant heb je de vrijheid van meningsuiting: dus het recht om zich publiek kritisch en waarschuwend uit te laten en beschermd door art. 7 Grondwet (en art. 10 EVRM). Aan de andere kant staat het belang van de bekritiseerde onderneming om haar eer, goede naam en reputatie niet lichtvaardig blootgesteld te zien aan verdachtmakingen, beschermd door artikel 8 EVRM (en in bestrijdende vorm: de onrechtmatige daad). Geen van beide rechten wint automatisch; de rechter weegt alle omstandigheden van het geval.
Wat daarbij níet beslissend is: is de vraag of de aangesproken partij de uiting als beledigend of schadelijk ervaart. Dat een bericht hard aankomt, maakt het nog niet verboden. Beslissend is vooral of de uitlating steun vindt in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Daarnaast mogen de gekozen bewoordingen niet nodeloos grievend zijn, en weegt mee dat bepaalde typen aantijgingen naar hun aard bijzonder schadelijk zijn.
2. Wat er in deze zaak gebeurde
De feitelijke basis is voor veel ondernemers herkenbaar. In juni 2023 sloten een softwareleverancier en een opdrachtgever een SaaS Agreement voor 36 maanden, waarbij een NFT-handelsplatform zou worden ontwikkeld en ondersteund tegen € 2.850 per maand (rov. 3.1). NFT staat voor ‘non-fungibel token’ oftwel een digitaal activum is dat objecten uit de echte wereld vertegenwoordigt, zoals kunst, in-game voorwerpen en video’s, die online verkocht worden, vaak met cryptocurrency. De uitvoering liep niet zoals gehoopt, de maandelijkse betalingen stopten, en de verhouding verslechterde.
Wat de zaak bijzonder maakt, is de toon van de escalatie. De opdrachtgever zette in juli 2024 per e-mail drie scenario’s op papier: (1) doorgaan, (2) netjes uit elkaar, of (3) letterlijk zo benoemd — “Optie 3: Clusterfuck”, met daarbij het aankondigen van een ingebrekestelling, geldterugvordering, een schadeclaim en het informeren van “relevante personen en partijen” over gesteld onethisch ondernemen (rov. 3.3). Een dag later volgde de mededeling dat er geen geheimhvrijstondreenkomst (NDA) was ondertekend en dat het de opdrachtgever dus vrij stond informatie over de gestelde onrechtmatige praktijken met derden te delen.
Daarna kwam de escalatie die de rechtszaak veroorzaakte. Op 1 april 2025 stuurde de opdrachtgever een uitvoerige brief aan álle aandeelhouders van de leverancier, met een lijst “Aangetoonde tekortkomingen” (te late oplevering, tekortschietende support, niet gehaalde kwaliteitsnormen, niet-nagekomen toezeggingen over een functie als Chief Token Officer), een passage over het instorten van de koers van $AX-tokens na verkopen door de leverancier, en een onderdeel over “Verzwijging van informatie, nevenactiviteiten en grensoverschrijdend gedrag”. In dat laatste onderdeel stond dat meerdere (ex-)medewerkers melding hadden gemaakt van grensoverschrijdend gedrag door een bestuurder, waaronder pesterijen en discriminerende of racistische opmerkingen op de werkvloer.
Er volgden nog twee berichten aan aandeelhouders en investeerders (17 april en 1 mei 2025), een melding bij het Huis voor de Klokkenluiders en een aangifte bij de politie wegens onder meer afpersing. Een bodemprocedure of voorlopig getuigenverhoor was op dat moment niet gestart. De leverancier vorderde in kort geding een verbod op negatieve uitlatingen, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter wees dat gedeeltelijk toe; het hof bekrachtigde dat vonnis vrijwel volledig.
3. De aantijging die wél verboden werd
Voor de passage over grensoverschrijdend gedrag ontbrak volgens het hof voorshands een behoorlijke feitelijke basis. De aangedragen voorbeelden waren deels niet relevant en kwamen voor uit een besloten app-groep van de leidinggevenden onderling — dus niet geuit op de werkvloer en niet gericht tot medewerkers. Het bestaan van aangiftes door (ex-)medewerkers werd niet aangetoond, terwijl dat wel op de weg lag van de partij die zich op een adequate feitelijke basis beroept. Ook kon ter zitting niet concreet worden aangegeven op welke specifieke voorvallen de beschuldiging berustte; een verwijzing naar 142 pagina’s producties met losse, van context ontdane passages was niet genoeg.
Het beroep op het algemeen belang hielp niet. Ook voor uitingen die misstanden aan de kaak stellen geldt de eis van een deugdelijke feitelijke basis. Bovendien was er al een melding bij het Huis voor de Klokkenluiders gedaan. Hoewel de bevindingen van het Huis niet dienen om civielrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen (art. 8 lid 3 Wbk = Wet bescherming klokkenluiders), werd het rapport wel openbaar gemaakt (art. 17 lid 7 Wbk). Daarmee was aan de gestelde waarschuwingstaak al tegemoetgekomen; welk te respecteren belang daarnaast nog zou bestaan bij het op deze wijze benaderen van aandeelhouders en investeerders, zag het hof niet.
Zwaar woog verder de aard van de schade. Beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag worden in deze omgeving zeer zwaar opgenomen: zakelijke contacten raken beschadigd, investeerders schrikken af en de financiële steun van aandeelhouders komt in gevaar — voor een start-up bijzonder schadelijk. Dat de e-mails niet in de media verschenen en als “vertrouwelijk” waren aangemerkt, deed er niet aan af dat het om berichtgeving aan derden ging, en dus aan anderen dan de bestuurders zelf. De belangenafweging viel daarmee uit in het voordeel van de onderneming: een verbod op verdere uitingen van deze aard, versterkt met een dwangsom van € 5.000 per overtreding tot een maximum van € 100.000.
4. De klachten die wél gedeeld mochten worden
Voor alle overige verwijten liep het anders af. Het hof formuleert een uitgangspunt dat voor iedere ondernemer in een conflict relevant is: partijen moeten vrij zijn om niet alleen in, maar ook buiten rechte hun visie op het conflict te geven, inclusief over de rol en de prestaties van de wederpartij. Dat klanten ontevreden zijn over een SaaS-project en die ontevredenheid uiten, is niet uitzonderlijk. En het is niet aannemelijk dat aandeelhouders of investeerders van een jonge onderneming daaraan te vergaande consequenties verbinden. In de kern gaat het om klachten in een klant- en zakenrelatie, waarbij van diffamerende uitingen nauwelijks sprake is.
Per onderdeel kwam het hof tot een nuchter oordeel. Voor de lijst tekortkomingen was in de Per onderdeel kwam het hof tot een nuchter oordeel. Voor de lijst tekortkomingen was in de correspondentie voldoende feitelijke basis te vinden, ook al stonden die punten nog niet vast en was het woord “aangetoond” dus onjuist. Hetzelfde gold voor de passage over verzwijging van informatie en nevenactiviteiten, waar onder meer uitgewerkte conceptovereenkomsten over separate entiteiten (“newco’s”) als onderbouwing dienden; dat de wederpartij die feiten anders duidt, doet daar niet aan af. Ook de tokenkwestie kwam door de toets: dat er een sterke koersdaling volgde na verkopen, werd niet weersproken, en of de leverancier daarvoor verantwoordelijk is, valt zonder nader feitenonderzoek niet te beoordelen.
Belangrijk is ook wat het hof deed met de gevorderde verbodsformulering zelf. Het eerst gevorderde algemene verbod op negatieve uitlatingen, en het alternatieve verbod op uitingen over het wijzigen of negeren van mondelinge afspraken, waren “zo ruim en vaag” dat ze alleen al om die reden niet toewijsbaar waren. Een uitingsverbod moet dus scherp omlijnd zijn; wie te breed vordert, krijgt niets.
Tot slot toetste het hof of er reden was voor een uitzondering op de vrijheid van meningsuiting. Dat zou aan de orde zijn als aannemelijk was dat er in de toekomst grievender of schadelijker uitingen zouden volgen, of dat de uitingen uitsluitend waren gedaan om betalingen af te dwingen waarop geen recht bestond. Beide werden niet voldoende aannemelijk. Dat de “clusterfuck”-strategie mede bedoeld was om betaling los te krijgen, achtte het hof niet onaannemelijk, maar het was niet uit te sluiten dat er tenminste op enige betaling recht bestond — een vraag voor de bodemprocedure.
Let op de juiste partij: niet elke vennootschap kan worden meegetrokken
Een praktisch punt met grote waarde voor holdingstructuren. De vorderingen waren ook gericht tegen een holdingvennootschap van de betrokken ondernemer. Het hof wees die af: over de rol van de holding was onvoldoende gesteld om de uitingen aan haar toe te rekenen. Een niet nader toegelichte opdrachtovereenkomst en een factuur waren onvoldoende, de berichten zelf gaven geen aanleiding voor die conclusie, en de vrees dat de betrokkene in de toekomst in zijn hoedanigheid van bestuurder van de holding onrechtmatige uitingen zou doen, was niet onderbouwd. Voor een middel zo zwaar als ingrijpen in de uitingsvrijheid van een aparte rechtspersoon is meer nodig. Het verbod bleef beperkt tot de handelende vennootschap en de betrokken persoon zelf, met de aantekening dat zijn uitingen over dit onderwerp aan een van beiden toerekenbaar zullen zijn.
Wat dit betekent voor uw onderneming
Voor ondernemers die in conflict raken met een leverancier, klant of samenwerkingspartner, zijn de lessen concreet.
Wie kritiek uit, doet dat het veiligst feitelijk en dossiergebonden. Beschrijf wat er is afgesproken, wat er is geleverd en waar het is misgegaan — en zorg dat elk verwijt te herleiden is tot correspondentie, contracten of andere documenten. Zeg niet “aangetoond” waar “betwist” of “naar onze visie” op zijn plaats is. Een onhandige woordkeuze kostte hier niet de zaak, maar in een minder gunstig dossier kan dat anders liggen.
Wees uitzonderlijk voorzichtig met beschuldigingen die de persoon raken in plaats van de prestatie. Verwijten over pesten, discriminatie, racisme of ander grensoverschrijdend gedrag zijn naar hun aard zwaar schadelijk en worden juist daarom streng getoetst. Zulke aantijgingen doen tegenover aandeelhouders of investeerders zonder concreet, benoembaar bewijsmateriaal is vragen om een verbod met dwangsom.
Kies daarnaast het juiste kanaal. Een klokkenluidersmelding, een aangifte, een voorlopig getuigenverhoor of een bodemprocedure zijn de geëigende routes voor het onderzoeken van vermoedelijke misstanden. Als die route al is ingeslagen, verzwakt dat juist het argument dat u de aandeelhouders óók nog rechtstreeks moet informeren.
Laat het conflict verder niet ontsporen in dreigtaal. Formuleringen in de sfeer van escalatiescenario’s, media-aandacht of “de onderneming kapotmaken” leveren geen onderhandelingsvoordeel op, maar wel bewijs dat later tegen u werkt — en voeden het verwijt dat het u niet om waarheidsvinding gaat maar om druk.
Voor de onderneming die wordt aangevallen, geldt de spiegelbeeldige les. Reageer snel en schriftelijk en weerspreek de aantijgingen puntsgewijs; het spoedeisend belang bleef hier juist bestaan doordat de dreiging van herhaling aanwezig was, ook nadat er maanden geen nieuwe uitingen waren geweest. Vorder vervolgens gericht. Een algemeen verbod op “alle negatieve uitlatingen” strandt op vaagheid; een verbod dat is toegespitst op de specifieke, feitelijk ongefundeerde categorie aantijgingen maakt wél kans. En richt uw vordering tegen de partijen die daadwerkelijk hebben gehandeld, met onderbouwing per vennootschap.
Tot slot: een kort geding is voor dit type geschil geschikt. Dat de feiten niet volledig vaststaan en dat nadere bewijslevering niet mogelijk is, is inherent aan het kort geding en maakt de zaak niet ongeschikt. Dat is pas zo als de rechter de situatie en de gevolgen van zijn beslissing onvoldoende kan overzien. Wie snel een reputatiebrand moet blussen, hoeft dus niet op een bodemprocedure te wachten — maar moet wel accepteren dat de inhoudelijke afrekening daar plaatsvindt.
Q&A: veelgestelde vragen over negatieve uitlatingen bij een zakelijk conflict
Mag ik mijn ontevredenheid over een leverancier delen met zijn aandeelhouders of investeerders?
- Vaak wel, mits uw kritiek betrekking heeft op de zakelijke relatie en de prestaties, feitelijk is onderbouwd en niet nodeloos grievend is geformuleerd. Partijen mogen hun visie op een conflict ook buiten de rechtszaal geven. Zodra het gaat om zware, persoonsgerichte beschuldigingen zonder concrete onderbouwing, wordt het onrechtmatig.
Is een e-mail met het label “vertrouwelijk” veilig?
- Nee. Zodra het bericht naar anderen gaat dan de bestuurders van de wederpartij zelf — bijvoorbeeld aandeelhouders of investeerders — is het berichtgeving aan derden. Het label “strikt vertrouwelijk” neemt de onrechtmatigheid niet weg.
Wat is de belangrijkste toets die de rechter aanlegt?
- Of de uitlating voldoende steun vindt in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Daarnaast weegt de rechter of de bewoordingen nodeloos grievend zijn en hoe schadelijk het type aantijging naar zijn aard is. Dat iemand zich beledigd voelt, is niet beslissend.
Kan ik een verbod krijgen op “alle negatieve uitlatingen” over mijn onderneming?
- Zeer waarschijnlijk niet. Een dergelijk verbod is te ruim en te vaag en wordt daarom afgewezen. Formuleer uw vordering toegespitst op de concrete categorie uitlatingen die feitelijke basis mist.
Helpt een beroep op het algemeen belang of klokkenluiderschap?
- Niet automatisch. Ook voor uitingen die misstanden aan de kaak stellen, geldt de eis van een deugdelijke feitelijke basis. Heeft u al een melding bij het Huis voor de Klokkenluiders gedaan of aangifte gedaan, dan wordt het extra moeilijk uit te leggen waarom u daarnaast nog aandeelhouders en investeerders rechtstreeks moet benaderen.
Kan mijn holding worden meegetrokken in een uitingsverbod?
- Alleen als concreet wordt onderbouwd dat de uitingen (ook) aan die vennootschap zijn toe te rekenen. Ingrijpen in de uitingsvrijheid van een aparte rechtspersoon is een zwaar middel; vage vrees voor toekomstig handelen van een bestuurder is onvoldoende.
Welke dwangsom riskeer ik bij overtreding?
- Dat verschilt per zaak. In deze procedure gold € 5.000 per overtreding, met een maximum van € 100.000 — bedragen die bij enkele berichten al snel bedrijfsmatig pijnlijk worden.
Moet ik wachten op een bodemprocedure?
- Nee. Een uitingsverbod kan in kort geding worden gevorderd, ook als de feiten nog niet volledig vaststaan. De vraag wie er contractueel tekort is geschoten en wie schadevergoeding verschuldigd is, hoort wél in de bodemprocedure thuis.
Ik heb geen geheimhoudingsverklaring/ – overeenkomst ondertekend. Mag ik dan alles zeggen?
- Nee. Het ontbreken van zo’n document geeft geen vrijbrief. Ook zonder contractuele geheimhoudingsplicht kunnen uitlatingen onrechtmatig zijn op grond van de bescherming van eer, goede naam en reputatie.
Wat doe ik als mijn onderneming zo’n beschuldigende e-mail ontvangt?
- Reageer snel, schriftelijk en puntsgewijs, leg het dossier vast, en laat toetsen welke specifieke uitlatingen feitelijke basis missen. Op die categorie kunt u een gericht verbod met dwangsom vorderen; met een te breed geformuleerde eis staat u met leges maar zonder resultaat buiten.
Vragen?
Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Onze advocaten staan klaar om u te adviseren! Neem contact op met een van onze advocaten via de mail, telefonisch of vul het contactformulier in voor een vrijblijvend eerste gesprek. Wij denken graag met u mee.