De informatieplicht van het bestuur richting aandeelhouders: waar moet u op letten?

De ene aandeelhouder komt jaarlijks slechts luisteren en incasseert tevreden zijn dividend, de ander is kritisch en eist direct cijfers of vertrouwelijke contracten. Voor u als bestuurder, dga of ondernemer werpt dit de vraag op: hoever reikt het recht op informatie, en wanneer mag u ‘nee’ zeggen? Wie grip wil houden op zijn kapitaalverschaffers, moet de spelregels kennen.

Het uitgangspunt: de algemene vergadering heeft recht op informatie, niet het individu

De wet legt het recht op inlichtingen niet bij de losse aandeelhouder, maar bij de algemene vergadering (ava) als geheel. Praktisch betekent dit dat een aandeelhouder tijdens de vergadering vragen mag stellen, waarop het bestuur antwoord moet geven. Wie verhinderd is en de dag ná de vergadering dezelfde vraag alsnog per e-mail stelt, is in beginsel te laat. Het formele moment om informatie af te dwingen is dus de vergadering zelf.

Binnen die vergadering geldt bovendien dat het bestuur niet zelf bepaalt welke vragen ter zake doen. De algemene vergadering heeft in principe recht op álle antwoorden. Vragen mogen best confronterend zijn: de ava mag zich hardop afvragen of de beloning van de bestuurder nog wel spoort met tegenvallende resultaten, mag aandringen op aandacht voor bedrijfsrisico’s zoals cybersecurity en mag blijven hameren op duurzaamheid. Het is niet verplicht om vragen vooraf aan te leveren, maar een aandeelhouder die een serieus en onderbouwd antwoord verwacht, doet er verstandig aan dat wel te doen.

De uitzondering: het zwaarwichtig belang

Op de hoofdregel bestaat één belangrijke rem. Het bestuur mag een antwoord weigeren als daarvoor een ‘zwaarwichtig belang’ bestaat, waarbij vooral aan de concurrentiepositie moet worden gedacht. Het staat een aandeelhouder in beginsel vrij om met de eigen bv te concurreren, maar de vennootschap hoeft die aandeelhouder dan uiteraard niet op weg te helpen met concurrentiegevoelige gegevens. Of zo’n belang zwaar genoeg weegt om beantwoording tegen te houden, is een afweging die het bestuur maakt.

Boven dit alles hangt een algemene norm: aandeelhouder en bestuur moeten zich tegenover elkaar redelijk gedragen. Dat werkt twee kanten op. Een aandeelhouder mag niet lukraak “alle” denkbare informatie opeisen, en het bestuur moet zich juist wél inspannen om gevraagde inlichtingen te verstrekken. Soms betekent een behoorlijk antwoord dat er stukken worden overgelegd, soms volstaat een mondelinge toelichting, en soms weet het bestuur het antwoord oprecht niet.

De praktijk is ruimhartiger dan de wet suggereert

Tot zover de theorie. In de praktijk wordt het beeld dat aandeelhouders uitsluitend tijdens de jaarvergadering recht op informatie hebben, veel soepeler ingevuld. Voor beursgenoteerde nv’s met talloze aandeelhouders geldt dat minder, maar juist bij familiebedrijven met een beperkte kring van aandeelhouders ligt de lat hoger. In dat soort verhoudingen hebben aandeelhouders niet alleen buiten de vergadering recht op informatie, maar rust op het bestuur soms zelfs de plicht om belangrijke informatie uit zichzelf te delen.

Die verplichting geldt niet alleen tegenover aandeelhouders, maar zelfs tegenover certificaathouders die via een stichting administratiekantoor (STAK) in feite weinig zeggenschap hebben. De achterliggende gedachte is dat ook zij kapitaal inbrengen en dus in staat moeten worden gesteld hun belangen te beschermen. Moet er over wezenlijke onderwerpen worden gestemd, dan moeten zij zich kunnen voorbereiden. Zouden zij pas tijdens de vergadering informatie kunnen opvragen, dan is het te laat om nog zorgvuldig een standpunt in te nemen.

Hoe beslotener de bv, hoe ruimer het informatierecht

Hoe het informatierecht precies uitpakt, laat zich niet in zwart-wit vangen. De regel is dat het recht op informatie groter wordt naarmate de bv een meer besloten karakter heeft. Drie broers die samen de aandelen houden, hebben eerder aanspraak op inlichtingen dan een kleine aandeelhouder die enkel als investeerder is ingestapt en verder geen (familie)band met het bedrijf heeft. Zijn alle aandeelhouders tevens bestuurder, dan speelt de kwestie niet: iedereen weet dan toch al alles. Het gaat juist mis in situaties waarin een deel van de (vaak familiale) kring het bedrijf runt en een ander deel op afstand staat.

Ook de aard van de gevraagde informatie is bepalend. Onderwerpen die aandeelhouders rechtstreeks raken — het dividendbeleid, investeringen van de vennootschap en de financiële positie van het bedrijf — moeten worden gemeld. De dagelijkse gang van zaken, zoals een geschil met een individuele klant of een kwestie met een personeelslid, valt daarentegen onder de verantwoordelijkheid van het bestuur. Daarover hoeft een nieuwsgierige aandeelhouder niet te worden geïnformeerd.

Houd de regie: aandeelhouders zijn geen medebestuurders

Tegelijk is het onverstandig om door te schieten in de informatievoorziening. Aandeelhouders zijn uiteindelijk kapitaalverschaffers; de leiding ligt bij het bestuur. Zij mogen nieuwsgierig en betrokken zijn, maar horen niet op de stoel van de bestuurder plaats te nemen. Een sprekend voorbeeld is de opsplitsing en verkoop van ABN Amro, die in 2007 op gang kwam door een brief van een activistische aandeelhouder met een belang van slechts 1%. Achteraf oordelen is eenvoudig, maar er wordt wel beweerd dat het bestuur minder krampachtig op die brief had moeten reageren.

De machtsverhouding blijft daarbij helder. Vinden aandeelhouders dat zij het beter weten, dan is het uiterste drukmiddel om de bestuurder te ontslaan en via de ava iemand anders te benoemen. Wil de ava dat niet, dan zal zij moeten accepteren dat de bestuurder op zijn eigen manier leidinggeeft.

Juist bij verstoorde verhoudingen telt transparantie

Zolang de sfeer binnen de bv goed is, maakt niemand zich druk om informatierechten. Vragen worden gewoon beantwoord en het bestuur betrekt de aandeelhouders vaak proactief bij belangrijke ontwikkelingen — soms zelfs zonder dat daartoe een verplichting bestaat. Het knelt pas wanneer de verhoudingen verzuren. Dan verdwijnt de bereidheid om aandeelhouders te betrekken en ontstaat bij hen de angst dat er achter hun rug om plannen worden gesmeed om, zoals dat heet, “de tent leeg te trekken”.

Opvallend genoeg is dat nu juist het moment waarop méér openheid geboden is. De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat “juist daar waar de persoonlijke verhoudingen door achterdocht worden geregeerd, een ruimhartige, feitelijke en verifieerbare informatieverschaffing cruciaal is”. De reflex om achterdochtige aandeelhouders te negeren is misschien begrijpelijk, maar juridisch onhoudbaar — en bovendien contraproductief: het lost niets op en verergert het conflict.

Voorkomen is beter: maak concrete afspraken

De beste strategie is voorkomen dat aandeelhouders achterdochtig worden. In een aandeelhoudersovereenkomst of via een informele regeling kunt u vastleggen dat aandeelhouders periodiek financiële rapportages ontvangen en bijvoorbeeld ieder kwartaal door het bestuur worden bijgepraat. Aandeelhouders in een sterk besloten setting krijgen daarmee niet ineens méér rechten — zij hebben immers al een ruimer informatierecht dan alleen het jaarlijkse vragenrondje op de ava. Het punt is dat die ruimere rechten in de rechtspraak nooit concreet zijn uitgewerkt. Ontstaat er ruzie, dan is dus onduidelijk waar de aandeelhouders precies aanspraak op kunnen maken. Met heldere afspraken weet iedereen vooraf waar hij aan toe is.

Let daarbij op één belangrijke randvoorwaarde: aandeelhouders in gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld. Het bestuur mag dus niet slechts een deel van de aandeelhouders periodiek bijpraten. Wat uiteraard wél mag, is alle aandeelhouders uitnodigen voor overleg — dat een deel daarvan in de praktijk nooit komt opdagen, is hun eigen keuze.

Q&A: veelgestelde vragen over de informatieplicht naar aandeelhouders

Wie heeft er recht op informatie: de individuele aandeelhouder of de vergadering?

Formeel de algemene vergadering, niet de individuele aandeelhouder. Vragen worden in beginsel tijdens de vergadering gesteld en beantwoord; een vraag die pas ná de vergadering per e-mail binnenkomt, is in principe te laat.

Mag het bestuur weigeren een vraag te beantwoorden?

Alleen als er een zwaarwichtig belang is, zoals bescherming van de concurrentiepositie. Het bestuur bepaalt niet zelf of een vraag “relevant” genoeg is; het uitgangspunt is dat de vergadering recht op antwoord heeft.

Hebben aandeelhouders ook buiten de jaarvergadering recht op informatie?

Bij besloten verhoudingen, zoals familiebedrijven met een kleine kring aandeelhouders, wel. Daar kan op het bestuur zelfs de plicht rusten om belangrijke informatie uit zichzelf te verstrekken.

Geldt de informatieplicht ook tegenover certificaathouders?

Ja. Ook certificaathouders die via een STAK weinig zeggenschap hebben, verschaffen kapitaal en moeten in staat zijn hun belangen te beschermen en zich op stemmingen voor te bereiden.

Welke informatie moet altijd worden gedeeld?

Onderwerpen die aandeelhouders rechtstreeks raken: het dividendbeleid, investeringen van de vennootschap en de financiële positie van het bedrijf. De dagelijkse operationele gang van zaken hoort bij het bestuur en hoeft niet te worden gedeeld.

Wat als de verhoudingen tussen bestuur en aandeelhouders verslechteren?

Juist dan is ruimhartige, feitelijke en verifieerbare informatieverstrekking cruciaal. Achterdochtige aandeelhouders negeren verergert het conflict en houdt juridisch geen stand.

Hoe voorkom ik conflicten over informatie?

Leg in een aandeelhoudersovereenkomst of informele regeling vast dat aandeelhouders periodiek financiële rapportages ontvangen en bijvoorbeeld per kwartaal worden bijgepraat. Behandel daarbij aandeelhouders in gelijke gevallen gelijk.

Mogen aandeelhouders zich met het bestuur bemoeien?

Zij mogen kritisch en betrokken zijn, maar de leiding ligt bij het bestuur. Het uiterste drukmiddel van de vergadering is het ontslaan en vervangen van de bestuurder; gebeurt dat niet, dan moet zij zijn wijze van besturen accepteren.

Vragen

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Onze advocaten staan klaar om u te adviseren! Neem contact op met een van onze advocaten via de mailtelefonisch of vul het contactformulier in voor een vrijblijvend eerste gesprek. Wij denken graag met u mee.


Over de auteur

Vincent van Oosteren

Arbeidsrecht, Fusies en overnames & Ondernemingsrecht