VBAR en de Zelfstandigenwet: meer houvast bij zzp-inhuur, maar ondernemers blijven alert
Voor veel ondernemers is het inhuren van zzp’ers inmiddels geen puur praktische keuze meer, maar ook een juridisch risicodossier. Sinds de discussie over schijnzelfstandigheid in een hogere versnelling is gekomen, merken opdrachtgevers dat één verkeerde inschatting kan leiden tot vragen van de Belastingdienst, discussie over loonheffingen of zelfs claims van werkenden die achteraf stellen dat er feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst. Tegelijk is er brede erkenning dat schijnconstructies moeten worden aangepakt, zonder dat echte zelfstandigen onnodig worden geraakt. Juist die balans blijkt in de praktijk lastig.
Een extra bouwsteen in de VBAR: het rechtsvermoeden bij een laag tarief
In de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) wordt gewerkt aan een beter toetsingskader om arbeidsrelaties te kwalificeren. Met een recente wijziging is daar een nieuw, voor ondernemers zeer tastbaar element bij gekomen: een rechtsvermoeden van dienstbetrekking wanneer een zzp’er onder een (nog nader vast te stellen) laag uurtarief werkt. In de markt wordt daarbij gedacht aan een bandbreedte rond de midden-30 euro per uur.
De gedachte achter dit rechtsvermoeden is helder: aan de “onderkant” van de arbeidsmarkt moet het eenvoudiger worden om schijnzelfstandigheid aan te pakken. Een werkende met een laag tarief krijgt hierdoor een sterkere positie om te betogen dat de samenwerking in wezen een arbeidsovereenkomst is.
Voor opdrachtgevers rijst meteen de spiegelvraag: als het tarief boven die grens ligt, is het dan automatisch veilig? Het korte antwoord is: nee. Een tarief kan een relevant signaal zijn, maar het is geen vrijbrief. De kwalificatie blijft uiteindelijk afhangen van het totaalbeeld van de samenwerking: hoe wordt het werk aangestuurd, wie draagt het risico, is er echte ondernemingsruimte, en hoe is de relatie feitelijk ingericht en uitgevoerd.
Waarom ondernemers niet alleen op het uurtarief mogen sturen
In de praktijk zien wij dat het verleidelijk is om compliance rond zzp-inhuur te “reduceren” tot een tariefafspraak. Dat is begrijpelijk, maar juridisch gevaarlijk. Een hoger tarief kan namelijk prima samengaan met kenmerken die tóch richting loondienst wijzen, bijvoorbeeld als:
- de zzp’er structureel onderdeel is van de dagelijkse operatie;
- de opdrachtgever in de praktijk bepaalt wanneer en hoe het werk moet gebeuren;
- vervanging feitelijk niet mogelijk is;
- er weinig tot geen ondernemersrisico is (denk aan doorbetaling bij uitval, geen eigen investeringen, geen eigen marketing of acquisitie).
Voor ondernemers is het daarom verstandig om het tarief te zien als één factor binnen een bredere “arbeidsrelatie-scan”: contract, werkinstructies, planning, beoordeling, rapportagelijnen, bedrijfsmiddelen en de manier waarop partijen zich naar buiten presenteren.
De Zelfstandigenwet als nieuw kompas: twee toetsen en een sectorale laag
Parallel aan de VBAR is een initiatiefvoorstel gelanceerd dat in de discussie steeds nadrukkelijker op tafel ligt: de Zelfstandigenwet. Het doel daarvan is het creëren van een duidelijker en meer voorspelbaar kader voor het zzp-vraagstuk. De opzet is praktisch: eerst kijken of iemand daadwerkelijk als zelfstandige opereert, en daarna of de samenwerking voldoende afstand houdt tot het klassieke gezagsmodel.
1) Zelfstandigentoets: de ondernemer moet als ondernemer leven
De eerste stap is een zelfstandigentoets, waarbij de kernvraag is of de zzp’er daadwerkelijk voor eigen rekening en risico werkt én dit ook organisatorisch en financieel kan dragen. Denk daarbij aan een combinatie van onder meer: een ordelijke administratie, aantoonbaar ondernemingsgedrag in het economisch verkeer (zoals investeren in eigen bedrijfsmiddelen, meerdere opdrachtgevers en eigen acquisitie), en het hebben van voorzieningen voor arbeidsongeschiktheid en pensioen. Het uitgangspunt is dat zelfstandigheid niet alleen een contractvorm is, maar ook een ondernemerschapsprofiel.
2) Werkrelatietoets: hoe vrij is de opdracht werkelijk?
Als de zelfstandige basis klopt, verschuift de focus naar de inrichting van de samenwerking. In de werkrelatietoets draait het vooral om de vraag of partijen bewust kiezen voor opdrachtverlening en of de zzp’er daadwerkelijk ruimte heeft om het werk zelfstandig te plannen en te organiseren. Belangrijk is dat de opdrachtgever geen directe, dagelijkse aansturing geeft zoals bij personeel.
Opvallend is dat het criterium “inbedding in de organisatie” (werk doen dat ook door werknemers wordt gedaan) in deze benadering niet langer zelfstandig doorslaggevend zou zijn. In veel sectoren is immers onvermijdelijk dat externen vergelijkbare werkzaamheden verrichten; het gaat dan vooral om de mate van zelfstandige regie en de afwezigheid van gezagskenmerken.
3) Sectoraal rechtsvermoeden: extra regels voor risicosectoren
Daarnaast wordt gedacht aan sectorale rechtsvermoedens: aanvullende aanwijzingen in sectoren waar het risico op schijnzelfstandigheid hoger is. Een voorbeeld dat vaak genoemd wordt is vervoer: als een “zzp’er” rijdt met een voertuig van de opdrachtgever in plaats van met eigen materieel, kan dat zwaarder meewegen in de richting van loondienst.
Toetsing en handhaving: een onafhankelijke commissie voor twijfelgevallen
Een praktisch element in de voorgestelde systematiek is de beoordeling door een aparte commissie die twijfelgevallen openbaar kan toetsen. Het idee is dat ondernemers en zelfstandigen zo sneller duidelijkheid krijgen en dat handhavende instanties (zoals de Belastingdienst) bij hun aanpak kunnen aansluiten bij die oordelen. Voor opdrachtgevers kan dit de voorspelbaarheid vergroten, mits de criteria in de praktijk ook consequent worden toegepast.
Wat betekent dit voor opdrachtgevers en zzp’ers nu?
Hoewel wetgeving in beweging is, kunnen ondernemers vandaag al maatregelen nemen om risico’s te beperken:
- Maak de samenwerking “audit-proof”: zorg dat contract, facturatie, vervangingsafspraken, aansprakelijkheid, eigen tools en communicatie met klanten passen bij zelfstandigheid.
- Richt de dagelijkse aansturing zorgvuldig in: stuur op resultaat en deliverables, niet op aanwezigheid, rooster of hiërarchische instructies.
- Werk met een periodieke check: bij langlopende opdrachten kunnen relaties verschuiven. Evalueer daarom elke 6–12 maanden of de feitelijke uitvoering nog past bij een overeenkomst van opdracht.
- Leg ondernemerschap concreet vast: denk aan eigen tarievenbeleid, eigen algemene voorwaarden, meerdere opdrachtgevers en aantoonbare acquisitie.
Wie professioneel met freelancers en zelfstandigen werkt, doet er goed aan om zzp-inhuur niet alleen fiscaal te benaderen, maar juist ook vanuit contractmanagement en arbeidsrechtelijk risicobeheer. Een goede “zzp-overeenkomst” helpt, maar de praktijk bepaalt uiteindelijk het etiket.
Veelgestelde vragen over VBAR, schijnzelfstandigheid en zzp-inhuur
Wanneer loop ik als opdrachtgever het meeste risico op schijnzelfstandigheid?
Als de zzp’er in de praktijk werkt als een medewerker: vaste uren, structurele aansturing, weinig ondernemersvrijheid en geen eigen risico.
Is een uurtarief boven de grens genoeg om veilig te zitten?
Nee. Een hoger tarief kan helpen in de weging, maar de feitelijke samenwerking (gezag, planning, uitvoering en risico) blijft doorslaggevend.
Wat is het rechtsvermoeden in de VBAR in gewone taal?
Bij een laag tarief krijgt de werkende een makkelijker uitgangspunt om te stellen dat er sprake is van loondienst. De opdrachtgever moet dan aantonen waarom het toch een opdrachtrelatie is.
Kan een zzp’er zelf kiezen om geen werknemer te zijn?
De keuze van partijen weegt mee, maar is niet beslissend als de feitelijke uitvoering kenmerken van loondienst heeft.
Wat kan ik in mijn zzp-contract opnemen om risico’s te beperken?
Werk met een duidelijke resultaatomschrijving, ruimte voor eigen planning, vervangingsmogelijkheden, eigen aansprakelijkheid, en leg vast dat de zzp’er eigen bedrijfsmiddelen en meerdere opdrachtgevers heeft (voor zover dat klopt).
Wat zijn praktische ‘red flags’ bij langdurige inhuur?
Een exclusieve samenwerking, meedraaien in roosters, functioneringsgesprekken, interne e-mailadressen alsof het personeel is, en structureel werken onder direct toezicht.
Welke sectoren krijgen vaker te maken met extra toezicht?
Met name sectoren waar lage tarieven, standaardwerk en materieel van de opdrachtgever veel voorkomen (zoals vervoer en logistiek), kunnen sneller in beeld komen.
Hoe kan een advocatenkantoor ondernemers hierbij helpen?
Met een risicoanalyse van de arbeidsrelatie, het herontwerpen van de inhuurstructuur, het opstellen of actualiseren van zzp-overeenkomsten en ondersteuning bij vragen of onderzoeken van handhavende instanties.
Vragen?
Heb je vragen naar aanleiding van dit artikel of arbeidsrecht in het algemeen? Neem dan gerust contact op met onze gespecialiseerde advocaten.