Het vorderen van inzage, afschrift of uittreksel van gegevens: nieuw bewijsrecht

Sinds het begin van vorig jaar is de wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. De mogelijkheid om inzage of afgifte van documenten te vorderen is in dit nieuwe bewijsrecht makkelijker en gestroomlijnder geworden. Het doel van de nieuwe wet is om het proces efficiënter en de informatiegaring actiever te maken.

Sinds de invoering van de wet zijn er dan ook meer dan voorheen inzagevorderingen gedaan.

Het toetsingskader

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:

a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is,

b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat,

c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde,

d. sprake is van misbruik van bevoegdheid, of

e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

Tevens moet ter zake een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van gegevens sprake zijn van een rechtsbetrekking waarop de gevorderde gegevens zien.

Twee afwijzende vonnissen in kwesties van bestuurdersaanprakelijkheid

De lat voor toewijzing ligt niet hoog, echter recentelijk werden twee inzageverzoeken met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen.

De eerste zaak

De eerste zaak speelde bij de rechtbank Gelderland[1]. Een vennootschap was veroordeeld tot betaling van een bepaalde geldsom, de schuldeiser vond dat er sprake van vermogensonttrekking was en stelde de bestuurder aansprakelijk. De rechter ging daar niet in mee en vond dat er geen sprake was van een “rechtsbetrekking”.

De rechtbank stelt dat uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor haar schulden. Uitsluitend in bijzondere gevallen kan, naast de vennootschap, het bestuur van de vennootschap aansprakelijk worden gehouden voor de schuld van de vennootschap aan een schuldeiser. Bestuurdersaansprakelijkheid kan zich voordoen als de bestuurder persoonlijk ter zake van de benadeling van de schuldeiser een ernstig verwijt kan worden gemaakt in een situatie waarbij de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld of heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Volgens vaste rechtspraak ligt de lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid hoog.

Naar oordeel van de voorzieningenrechter was vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat de bestuurder vermogen zou hebben onttrokken uit de vennootschap met als doel de verhaalspositie van haar schuldeisers te frustreren en daarmee dat een rechtsbetrekking zou bestaan tussen de schuldeiser en de bestuurder op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank gaf aan dat daarbij bovendien nog bijkomt dat het gevorderde een zeer omvangrijke exhibitie betreft waarbij de omschrijving van de gevorderde bescheiden zeer algemeen is geformuleerd. Deze bescheiden zijn niet nader gespecificeerd door bijvoorbeeld het opnemen van een beperking tot een bepaald tijdvak, dan wel door zoektermen op te nemen op basis waarvan door [gedaagden] gezocht moet worden naar die bescheiden.

De tweede zaak

De tweede zaak speelde bij de rechtbank Amsterdam en betrof een bekend kledingconcern, namelijk Hunkemöller. Verzoekers in de zaak zijn investeringsfondsen die via obligaties geld hebben uitgeleend aan Hunkemöller International BV, de verweerders zijn de bestuurders van Hunkemöller. Door nadien doorgevoerde herstructurering werd de positie van de investeringsfondsen verslechterd. De fondsen stelden dat de herstructureringen heimelijk en onrechtmatig zouden zijn uitgevoerd. Voor de door hen  gestelde geleden schade hielden zij de bestuurders aansprakelijk. Zij wilden voor het onderbouwen van hun vordering op de bestuurders inzage in diverse documenten en communicatie mbt de herstructureringen.

De rechtbank stelt vast voor bestuurdersaansprakelijkheid eerst is vereist dat de vennootschappen “fout” hebben gehandeld. Omdat de procedures tegen de vennootschappen nog niet zijn afgerond oordeelt de rechtbank dat het nog onzeker is of de vennootschappen aansprakelijk zijn. En welke ernstig persoonlijke verwijten de bestuurders zouden zijn te maken wordt niet of nauwelijks duidelijk gemaakt. Volgens de rechtbank past dit ook bij de insteek van de fondsen, die erop neerkomt dat zij op zoek zijn naar argumenten. Dat de bestuurders hebben gehandeld op grond van ongerechtvaardigde motieven en evident onjuiste afwegingen is volgens de rechtbank (nog) geen feit. Verder dan vermoedens over de beweegredenen van de bestuurders komen de fondsen niet.

De rechtbank wijst vervolgens de verzoeken af als (te) prematuur) en (te) speculatief. Een ander oordeel zou volgens de rechtbank tot een ongeoorloofde “fishing expedition” leiden en daarvoor zijn voorlopige bewijsverrichtingen niet bedoeld.

De lessen uit deze twee zaken

De conclusie die kan worden getrokken uit deze twee zaken is niet dat het moeilijk zou zijn om inzage in documenten te verkrijgen. De les is wel dat van bestuurdersaansprakelijkheid alleen in bijzondere gevallen sprake is en dat de mogelijke aansprakelijkheid van een bestuurder, ook voor een inzagevordering, goed moet zijn onderbouwd.

Fruytier Lawyers in Business procedeert regelmatig in inzageprocedures en kan u dan ook in dergelijke procedures met deskundigheid en ervaring bijstaan.

Advies

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Onze advocaten staan klaar om u te adviseren! Neem contact op met een van onze advocaten via de mailtelefonisch of vul het contactformulier in voor een vrijblijvend eerste gesprek.


[1] Rechtbank Gelderland 19-11-2025,  ECLI:NL:RBGEL:2025:9902


Over de auteur

Mignon de Vries

Intellectueel Eigendom, Ondernemingsrecht & Procesrecht