Nieuws


Succes met een bijzondere uitspraak over voorrechten op zeeschepen

De Rechtbank Haarlem heeft op 15 oktober 2010 vonnis in kort geding gewezen in een spraakmakende procedure aangaande voorrechten op een zeeschip ex artikel 8:211 sub b BW gevoerd door mr. M.P.M. Fruytier.

In het vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer een oordeel gegeven over de mogelijke verjaring van voorrechten alsmede over de schorsende werking van ingesteld derdenverzet. De procedure die tot aan de Hoge Raad (23 januari 2009) is gevoerd heeft nu duidelijke antwoorden gegeven over verjaring van voorrechten en over de vraag onder welke omstandigheden art 539 Rv van toepassing kan zijn bij een schorsing van de executie van een zeeschip.

Verjaring voorrechten zeeschip
In onderhavige zaak werd gesteld dat de het voorrecht, bestaande uit een vordering tot loondoorbetaling, zou zijn verjaard. Krachtens artikel 8:219 BW gaan voorrechten teniet door verloop van één jaar, tenzij de schuldeiser in rechte zijn vordering geldig heeft gemaakt. De voorzieningenrechter benadrukt in zijn vonnis dat het artikel niet de eis stelt dat ook jegens de eigenaar van het schip binnen een jaar beroep op het voorrecht zou moeten worden gedaan. Van een bemanningslid zou, aldus de voorzieningenrechter, niet kunnen worden gevergd dat hij om zijn loonvordering te moeten incasseren ‘de eigenaar van een schip en mogelijk een reeks van elkaar opvolgende eigenaren moet achterhalen [..]’ Ofwel de executerende schuldeiser hoeft geen procedure aanhangig te maken tegen de eigenaar van het schip om zijn vordering tegen het schip geldend te doen maken.

Ontneming schorsende werking derdenverzet
De voorzieningenrechter oordeelde tevens dat aan het derdenverzet, ingesteld door de wederpartij middels de dagvaarding ex art. 538 Rv., geen schorsende werking meer toekomt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was er een voldoende zwaarwegend belang om de schorsende werking aan het verzet te ontnemen. Refererend aan het arrest van het hof Den Haag van 18 mei 2010 wijst de voorzieningenrechter erop dat al was bepaald dat de vorderingen verhaalbaar zijn op het zeeschip. Het zwaarwegend belang zou voortvloeien uit het aanzienlijke tijdsverloop sinds het ontstaan van de aanspraken (2003 en 2004). De voorzieningenrechter oordeelde tevens dat het dermate zeker is dat de vorderingen op het zeeschip mogen worden verhaald dat – ondanks het ingestelde cassatieberoep – zeker aan het gestelde restitutierisico niet al te veel gewicht zou komen.

Een volledige weergave van de uitspraak van het vonnis van 15 oktober 2010 van de rechtbank Haarlem treft u hier aan.

Voor meer informatie vragen over het bovenstaande kunt u contact opnemen met mr. M.P.M. Fruytier of mr. M.H. Adema MFP.

 

 

Share:

Terug naar boven Terug naar boven
NederlandsEnglishDeutsch汉语

Fruytier Lawyers in Business

Keizersgracht 442
1016 GD  Amsterdam
The Netherlands

P. +31 (0)20 521 01 30
F. +31 (0)20 521 01 31

E. info@flib.nl

Algemene voorwaarden

Member of Lawyers Associated Worldwide